Google
www www.gerbrandsdingetje.nl
Home | Nieuws | Boeken | Optredens | Archief | To international visitors page To international visitors page To international visitors page

Weblog van Gerbrand Bakker

Bloeiende appelbomen
Mijn tandarts in Leeuwarden - dit is een herinnering die me zojuist te binnen schiet; de hele periode Leeuwarden is nogal vaag - had een aquarium. Met heel veel vissen en waterplanten en zo'n zuurstofdingetje dat luid bromde. Pal naast de stoel. Hij was een man die wat mompelde over een verstandkies die erg slecht was en op het moment dat ik begreep dat er misschien over gepraat moest worden, zei hij: 'Ik heb hem er al uit.' Kun je nagaan hoeveel spuiten er in gegaan waren. Mijn tandarts in Amsterdam zat eerst aan de Sarphatistraat en is daarna verhuisd naar de Lasusstraat. Bij hem was ik het langst. Hij heeft ook de meeste kronen, bruggen enzo aangebracht. Bij hem hing er een engeltje van papier-maché aan het plafond. Dat draaide langzaam rond - ik dacht altijd: hoe meer de patiënt 'stoomt', hoe harder het engeltje draait . I love you stond er op een schildje dat het engeltje vasthield. Er was daar eens een nieuwe assistente of een stagiaire uit Afghanistan. Die kon ongelofelijk goed verdoven, je voelde helemaal niets. Dennis, zo heette de tandarts, is in Nepal van een heel hoge berg gevallen. Toen had ik geen tandarts meer.
De huidige tandarts woont op 4 minuten fietsen. Hij ziet me weleens langskomen met Jasper. Gisteren vroeg de assistente me wanneer ze haar vlinderstruiken mocht snoeien. Bij hem zijn twee plafondtegels vervangen door voorjaarsfoto's: uitbottende appelbomen. Daarnaast hangt een beeldscherm: als je zin hebt kun je precies zien wat hij allemaal uitspookt in je mond. Gister had ik daar geen zin in. Hij ging een kies waarvan alleen de wortels en één zijkant over waren - ik vermoed dat het mijn allereerste kroon was, zo één met een enorme pin - extraheren. Die rechteronderkant is altijd een zwakke plek geweest, met pijn en ongemak. Dat duurde nogal, want de kies was vasthoudend, er kwamen allerlei hevels aan te pas. 'We pakken er nog even de gereedschapskist bij,' zei hij na twintig minuten. Verder floot hij veel. Dat vind ik prettig, een fluitende tandarts. Het ergste is een tandarts die om de haverklap 'O, o' zegt, of hoorbaar lucht naar binnen zuigt, van schrik. Toen het klaar was, vroeg ik 'Dit gaat zeker wel even pijn geven, niet?' Ja, ik moest over een uur of twee maar een ibuprofennetje nemen. Mensenlief, wat een pijn kreeg ik, ik moest ervan op de bank gaan liggen. Eerst gingen de hechtingen en het membraan dat hij aangebracht had pijn doen, toen dat een beetje was weggestorven, begon de kaak, waarin natuurlijk enorm gewroet was. De kiezen ter weerszijden - allang gewortelkanaalbehandeld - deden er zelfs zeer van. Dan denk ik: waarom zegt Dirk - zo heet hij - niet gewoon eerlijk dat het heel erg zeer gaat doen? Want nu dacht ik 'O jee, er is iets niet goed gegaan'. Nu gaat het wel weer. En dat is maar goed ook, want ik moet de hele avond Duits zwetsen in Wuppertal.

Worst
Ik was maandagmiddag in de Aula van de UvA. Daar werden twee dingen gepresenteerd. Het nieuwe boek van Arnon Grunberg en een zogenaamde Urban Game, ontwikkeld door studenten die Grunberg een tijd onder zijn hoede had tijdens zijn honorary fellowship aan dezelfde universiteit. Ik was te vroeg omdat ik een mailtje met de melding dat alles een half uur opgeschoven was niet ontvangen had. Ik ging naar Athenaeum, waar ik twee boeken van Per Petterson kocht en de nieuwe Maarten 't Hart. In de winkel liep Thomas Vaessens rond. Thomas Vaessens is Hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde. Ik herkende hem, hij keek over mij heen, had geen idee wie ik was. Dat was grappig. Bij de toonbank bladerde ik in dat nieuwe boek van de Steinzjes. Bij mijn lemma las ik 'Wieringermeer' in plaats van 'Wieringerwaard'. 'Pfff,' zei ik. 'Tja,' zei de boekverkoopster. Daarna zei ze: 'Dat is dan 51, 90.'
Terug naar de Aula. Ik zag Marja Pruis tamelijk laat binnenkomen en ergens in de zaal aanschuiven. Ik liep snel naar haar toe en zei dat ze bij mij moest komen zitten. Naast haar zat een man die zei: 'Hé wat ongelofelijk leuk dat ik jou weer eens zie!' Ik kende hem niet, en toen hij nog eens goed keek, bleek hij mij voor een ander gehouden te hebben. Na de lezingen en bloemen was er een borrel aan de Oude Turfmarkt, in het gebouw van de Bijzondere Collecties van de UvA. Ik was daar een dag eerder al geweest om de novelle van Arnon te lezen met een electrodenbadmuts op mijn kop, een EC-band om de borst en een camera tegenover me, alles in het kader van wetenschappelijk onderzoek. Ik was één van de 'prominenten' die daarvoor waren uitgenodigd. De borrel was gezellig, met Marja Pruis, Nathalie Doruijter, Paulien Loerts en Vic van de Reijt, die denk ik een half borreltje te veel op had, maar hij blijft altijd een fijne man. Charlotte Mutsaers was er ook, met haar hoofd in een enorm verband omdat ze eerder op de ochtend in Den Haag plat op haar gezicht was gevallen.
Toen ging ik weg en ik wilde Arnon nog even een hand geven, ik vind het raar om ergens geweest te zijn, af en toe elkaar aangekeken te hebben (dacht ik) en dan zomaar weg te gaan. Hij stond in de hal met een paar jonge meisjes om hem heen. Ik bleef staan alsof ik op audiëntie was. Hij onderbrak zijn gesprek, keek me aan en zei: 'Wie ben jij ook maar weer?' Ik proestte het uit. Dat werkwoord heb ik nooit eerder opgeschreven omdat ik het vreselijk lelijk vind en typisch een woord uit een heel slecht kinderboek, waarin iemand een halve bladzijde later ook nog eens op een bank 'neerploft', maar nu is het een passende omschrijving en kom ik er niet onderuit. Nu snap ik dat dat uitproesten een culminatie was van wat er die middag allemaal al gebeurd of juist niet gebeurd was. Ik deed een stap terug en wist niet goed wat te doen, voelde me toch een tikje ongemakkelijk, niet alleen voor mezelf maar vooral ook plaatsvervangend voor hem. Gelukkig stond Paulien Loerts daar en gelukkig had ik al vier glazen witte wijn op. Een paar minuten later zei hij: 'Ik weet het weer, jij bent Gerbrand, toch?' Juist. Ook dat was grappig, en tekenend voor hem. Die jongen ziet gewoon veel te veel mensen, doet veel te veel, werkt veel te hard, reist zich een slag in de rondte, uit onrust, misschien wel op de vlucht voor het een of ander.
Thuis maakte ik palmkoolstamppot (dat Albert Heijn heel sjiek Cavolo Nero noemt) met worst. Ik dronk daar natuurlijk rode wijn bij. Jasper lag half onder me, zijn voorpootjes netjes over elkaar als het braafste schooljongetje. Al kauwend keek ik omlaag. 'Jij weet toch zeker wel wie ik ben?' vroeg ik een tikje verontrust aan hem. Hij keek me trouwhartig aan, maar ik zág aan zijn blik dat hij dwars door me heen keek en alleen maar Unox-worst rook.

Bomen weg
Deeltijdbuurman Willi had het er onlangs al over: dat de twee reuzensparren voor het huis van zijn moeder geveld zouden worden en dan in één ruk door ook de oude eik die tussen haar en mijn huis staat. Ergens in het voorjaar zou dat gebeuren. Die sparren hadden een stamomtrek van bijna twee meter. Maar een paar dagen geleden reed er al een vrachtwagen voor met het woord Baumfäller erop. Er stapten twee mannen uit. De ene klom in de eerste spar en hij zaagde zijtak na zijtak af. De ander stopte de takken in de versnipperaar. Toen de zager boven was, daalde hij al zagend weer af; de boom verdween in dikke plakken boven zijn hoofd. Twee uur later was ook de tweede spar weg. Het wegwerken van de eik duurde heel wat langer. De zager zei tegen Willi dat hij liever dertig sparren had dan één eik. Bij een spar kan hij tegen de stam aan blijven, bij een eik is het een enorm geklim en geklauter en gedoe met takken die aan touwen omlaag gelaten worden. Maar nog weer een paar uur later was ook de eik verdwenen.
Ik ging zo af en toe even kijken, om alvast te wennen. Die drie enorme bomen vormden namelijk een soort muur aan de westkant van mijn huis; ze blokkeerden mijn zicht op de heuvel waar buurman Max zijn drie Kameroenschapen heeft lopen en op de weg omhoog naar Feuerscheid. Toen alles klaar was en Willi bezig was de resten van eik naast een krakkemikkig schuurtje op te stapelen, was de aanblik bijna adembenemend. Er was vanuit mijn tuin een heel nieuwe wereld geopend. Zelfs het ontbreken van de eik, die nu natuurlijk geen blad had, zorgde voor enorm veel ruimte, lucht en licht. Je wordt bedankt, zei ik schertsend tegen Willi. 'Mijn zijtuin is een schaduwtuin en nu zal ik alle schaduwplanten moeten vervangen door planten die van zon houden.' Tussendoor was ik even bij buurvrouw Weiers in de keuken gaan zitten. 'Wat een lawaai,' zei ze. En ook zei ze: 'Mir gefällt das alles gar nicht.' Terwijl zij al jaren klaagde over een gebrek aan licht in haar huis. 'Ach joh,' zei ik, 'je kunt weer nieuwe boompjes planten.' Toen keek ze me aan en zei niets. Misschien is het ook wel idioot om als je 95 bent nog boompjes te gaan planten. 'Willi lacht,' zei ze. Dat was waar: Willi veegde intens tevreden het straatje schoon. Ik kan niet wachten op de zomer, zo benieuwd ben ik naar hoe dan het zonlicht gaat vallen.

Weiberdonnerstag
Bijna half twaalf. De zon zou er zijn, maar de mist is hardnekkig en het is waterkoud. Al twee dagen ben ik buiten, de eerste dag brak de zon wél door en was het voorjaar. Gisteren was het ook koud. Als mijn weer-app aangeeft dat er 7 uren zon aankomen en dat gebeurt niet, word ik chagrijnig. Dan ga ik domweg zitten wachten óf ik politoer de keukentafel, en dat is precies wat ik vanochtend heb gedaan, het laatste. Gisteren was het Weiberdonnerstag. Ik denk dat Jan van Mersbergen dat heel leuk gevonden zou hebben. Verklede vrouwen komen aan de deur met hun kinderen. De kinderen zingen een liedje - waarvan er een aantal tot mijn verrassing Duitse vertalingen waren van St. Maartensliedjes - en verlangen snoep. De vrouwen dient een borreltje aangeboden te worden. Mijn vrouwen (4 stuks) bedankten, want ik was niet de eerste deur waar ze waren. Eerder op de ochtend stonden er in de EDEKA te Schönecken vijf vrolijk verklede vrouwen aan een statafel, waarop al heel wat lege glazen. Eén ervan vroeg of ik een glaasje Sekt wilde. 'Nee, bedankt,' zei ik tamelijk nors. 'Ik ben niet zo'n carnavalsvierder.' Ik denk dat ze al een beetje dronken was. 'Ja, nein,' zei ze, 'das Sie später nicht sagen können, die Weiber beim EDEKA haben mir gar nichts zum trinken angeboten!' Men smeert hier het carnaval oneindig uit, of liever: men begint heel vroeg, want met Aswoensdag moet het toch echt voorbij zijn, denk ik. Maar of ik uit Nederland het carnaval niet kende? vroeg één van de vier vrouwen die aan de deur kwamen. Nee, zei ik ferm. 'Ik kom uit het noorden van Noord-Holland, wij zijn niet katholiek. Ik heb er nooit iets van begrepen en wil er ook niets van begrijpen en ik wil er - zoals mijn vriend Jan van Mersbergen bijna eist van anderen - absoluut niet in 'begeleid' en 'meegenomen' worden. Carnaval is een volledig door de tijd achterhaald concept. Ik word er angstig van, het is als een sekte die de wereld overneemt, en het is tegenwoordig uitsluitend een alibi om te saufen, saufen, saufen.' De kindertjes, alle vier meisjes, keken me met grote ogen aan, maar ze bespuwden me niet; in hun tasjes zaten dikke Marsen en Snickers, allemaal van die vriendelijke Hollandse meneer gekregen.

Kachel weg
De Cashin-kachel is al weg. Ik had hem samen met buurman Klaus op Ebay.de gezet, linkje erbij naar de website van de fabrikant en 's avonds kreeg ik al een mailtje. De volgende dag belde de vrouw op. Of das Kaminofen noch zu haben war. Zeker, zei ik. Dan kwam ze kijken. Weet u waar het is? vroeg ik. Jazeker, zei ze, ik ben de Briefträgerin. De volgende avond kwam ze, met twee bonken van mannen. Een kwartier te vroeg, ik zat nog te eten. De ene was haar echtgenoot, hoe de familierelatie met de andere man - die het woord deed - was, weet ik niet. Kijken, meten, discussiëren. Ik had hem afgesopt, hij zag er goed uit. Door de telefoon had de vrouw de prijs eigenlijk al omlaag gekregen tot 200 euro, ik ben nogal een doetje, zulke dingen kan ik niet. Nu vroeg de praatman wat er nog aan die prijs te doen was. Nou ja, zei ik, die 200 wil ik er toch wel voor hebben. Uiteindelijk werd het 170. Ik ben dan al snel tevreden, daarvoor kan ik een nieuwe cd-speler kopen, en dat was waar ik het om deed. Bovendien schaamde ik me een beetje omdat ik de kachel gratis en voor niets bij de inboedel had verkregen. Zulke gedachten moet je natuurlijk met een stalen gezicht voor je houden. We probeerden de kachel met z'n drieën op te tillen. Loodzwaar, natuurlijk, dat wist ik al, zelfs zonder de bovenplaat en zijkanten. Gaat het? vroeg de praatman. 'Nou...' zei ik. Ze duwden me aan de kant en tilden het ding met z'n tweeën naar de klaarstaande aanhanger. Het zweet stond ze op het voorhoofd, terwijl het vijf graden vroor. Even vastsnoeren en weg. 'Vorsicht!' riep ik de auto nog na.
Ik ging naar binnen om mijn eten op te eten. Maar daar was helemaal geen eten meer. Er lag een wild met zijn staart slaande hond op de keukentafelbank. Het leek er zelfs op dat het glas wijn veel leger was dan een kwartiertje ervoor. 'Godsamme!' riep ik. 'En wat moet ik nu eten?' Daar had Jasper geen antwoord op. 'Nou?' Hij begon me af te likken, dat doet-ie altijd als hij snapt dat hij iets gedaan heeft wat niet mag. De volgende ochtend moest hij overgeven. Hij had tomaat en bascilicum en mozarella gegeten, overdekt met verse gemalen peper. Eigen schuld, dikke bult.

Kachel te koop
Ik ben het meer dan beu, de winter. Terwijl ik dit schrijf, schijnt de zon én sneeuwt het. Zojuist reed de sneeuwschuifvrachtwagen voorbij. Het is iets boven nul. Mijn Brachyglottis 'Greyii' leek de eerste winteraanval overleefd te hebben, het is een tere struik. Nu ligt er weer een laag sneeuw op, weer zijn de takken geknakt. Hetzelfde geldt voor de Hebe's, die afgelopen zomer mooi gegroeid waren tot volle struikjes. 's Nachts vriest het, overdag dus iets boven nul. Gisteravond ging zelfs Jasper bijna onderuit op het weggetje omhoog naar Nimshuscheid, het vaste avondrondje. Elke avond een bevroren weg, dat begint ergerlijk te worden. Hij glibbert omlaag en kijkt mij verwijtend aan. Het is wel een goeie test voor de schrijfkamer: krijg ik 'm warm? Ja, ik krijg 'm warm, en goed ook. Het is alleen wel zo dat ik in vergelijk met vorige winters veel meer hout verstook. Ik red het niet meer met acht kuub per jaar.
Zojuist heb ik gezogen met de nieuwe Miele. Vanmiddag komt het uitgeversechtpaar langs. Ze blijven eten en voor de nacht heb ik ze ondergebracht in Gasthaus Geimer. Dat laatste is onderdeel van een nieuw regime dat ik hier in wil voeren: iedereen is van harte welkom, alleen trek ik het niet zo goed, bezoek dat voortdurend in huis is. Buiten Gasthaus Geimer - in Plutscheid, vier kilometer verderop - is er in Nimshuscheidermühle een vakantiehuisje. Dat ligt op ongeveer 400 meter lopen. Ik moet er nog langs om te vragen wat het kost per nacht. Ik heb geprobeerd me zo goed en kwaad als dat gaat af te sluiten en mijn eigen dingen te doen, maar ik kan dat niet. Als ik bezoek heb, heb ik bezoek. Ik denk eigenlijk dat het voor de gasten zelf ook wel lekker is, een eigen huis. Of misschien zie ik dat alleen maar zo om een mild schuldgevoel weg te denken.
Ik heb iets te koop, zie afbeelding. Een echte Cashin-kachel. Dat is een exclusief ding, wordt gefabriceerd door een kachelfabriekje in de Vogezen. Nieuwprijs 2000 euro, veel vermogen, 187 kilo (!) zwaar, gietijzer. Zijkanten met reliëf. Onverwoestbaar. Ik zou er graag 250 euro voor hebben, maar lever hem niet af.


Naar boven
nieuws
17 april 2014The Detour op shortlist Impac Award

» Archief
 Uitleg »