Google
www www.gerbrandsdingetje.nl

Weblog van Gerbrand Bakker

Zuid-Afrika
Vrijdag boekendag, hoewel dat tegenwoordig natuurlijk helemaal niet meer zo is, volgens mij heeft alleen NRC nog op vrijdag de boeken. Misschien mag ik weer eens een beetje aan veren in de eigen reet doen, want zoals een van mijn beste vrienden altijd zei: “Je moet jezelf zo nu en dan kietelen, want een ander doet het niet.” Vanochtend is – als ik de tel goed heb bijgehouden – het 21e land toegevoegd aan de lijst met landen waar een Boven-vertaling zal uitkomen: Zuid-Afrika. De uitgever is een heel leuke kerel, die ik vorig jaar onder het genot van wijn en knabbels ontmoet heb op de zaak aan het Amstelveld. Toen zei hij nog dat het eigenlijk ondoenlijk was om zo’n roman in zijn land uit te brengen. Dat zal vast een heel mooi boek worden, Afrikaans is een van de mooiste talen die er zijn. Zo’n boek waarvan ik zelf kan denken: ‘goddomme, wie heeft dit geschreven zeg?’. Dat dacht ik ook al bij de Engelse vertaling, iets wat trouwens onlangs voor de vertaling van The Detour weer opging. Het is net of je iemand anders bent in het buitenland, en of je boeken nieuw en vers zijn. Een beetje als niet helemaal jezelf zijn in welk buitenland dan ook, simpelweg omdat je een andere taal spreekt, bén je iemand anders. Vaak losser, vrijer. Daarom is het buitenland erg plezierig. Ook omdat je in het buitenland over het algemeen recensies krijgt die op geen enkele manier gekleurd zijn door persoonlijke ditjes en datjes, besprekingen zonder dat er ook maar iets anders meespeelt dan het werk zelf. Tot slot bewijs dat je een ander bent in het buitenland: “Bakker often pauses, his gestures are large and expansive, at times playful, if invariably employed to deflect from his natural reserve. When he moves his arms they suddenly appear to lengthen, the way a top-class swimmer stretches and pulls into a stroke.” (Irish Times).
[Op de afbeelding de Australische versie van De omweg]

Paracetamol en konijnenuilskuikens
Ik kan me niet herinneren wanneer het begon, maar ik weet wel dat ik afgelopen vrijdag nogal moeite had heen en weer te kijken. Daarna werd ik ’s nachts wakker van de pijn in mijn nek en achterhoofd. Op maandagochtend belde ik de huisarts op om een afspraak te maken. Ik kwam niet verder dan de assistente van de huisarts. Die vertelde me, na een paar vragen van haar kant, dat ik per dag acht à tien paracetamollen moest eten en als dat niet genoeg was, met ook nog ibuprofen erbij. “Acht?!” riep ik. “Dat is toch veel te veel?!” Ik moest door de pijn heen, zei ze. Op maandagavond deed ik een lezing in Broek op Langedijk, om kwart voor acht slikte ik de vijfde en zesde paracetamol. Ik was erg licht in mijn hoofd en de pijn viel niet weg te slikken. Het werd een leuke en vooral ‘geanimeerde’ lezing, een mevrouw die in Bergen gehoord had dat ik “een heel irritante man” was, kwam me vertellen dat daar niks van waar was en een man kwam me de hand schudden omdat hij ook Gerbrand heette.
Ik weet niet hoe het met jullie zit, maar ik denk dan meteen maar dat ik een tumor onderaan mijn hersenstam heb, en niet een of andere spastische spier. Maandagnacht werd ik wakker van de pijn, droomde half, wilde slapen, begon te malen, draaide, woelde. Ik voelde me oud en aftands, bleef me gisteren in Artis de hele tijd zorgen maken, ook omdat mijn maag al die paracetamol niet meer leek te kunnen verwerken. Ik kon nauwelijks eten omdat slikken de pijn in mijn nek alleen maar aanzwengelde. Nooit geweten dat je zulke pijn kan hebben in een nek. Ik zag geen apen, pelikanen of Maleise bonte marters, maar ziekenhuisbedden en scan-apparaten. Afgelopen nacht (altijd de nachten, als er iets is: zelfs een verkoudheidje lijkt ’s nachts nooit meer goed te komen) sliep ik goed en vanochtend voelde het alsof er iets aan het goedkomen is. Nu is het zaak nog even goed door te slikken, denk ik. Ik sloeg gister een nieuwe hoeveelheid paracetamol in. En ik had de Sony Cybershot mee, kon wel foto’s maken. Hierboven twee konijnenuilskuikens.

Pindakaas
Gisterochtend hing ik in een bosrijk gebied een apparaat op dat mijn vader gemaakt had. De zogenaamde pindakaaspotvoederplank: een contraptie die je aan een boom of schutting kan bevestigen en waarin tussen twee pinnen een pot pindakaas gelegd kan worden. Met de deksel eraf. Vanaf het moment dat ik hem aan een eik ophing, hield ik hem in de gaten, bij een houtkachel zittend. Binnen een kwartier hadden de koolmezen hem gevonden. Eerst probeerden ze door het glas heen bij de pindakaas komen, iets later ontdekten ze dat het makkelijker was om het bij de opening te doen. In de auto terug zei mijn moeder: “Er zijn in de buurt vast meer pindakaaspotvoederplankjes.” Volgens mij zijn vogels gewoon best slim en is de geur van pindakaas genoeg om ze erheen te lokken, genoeg om hun angst te overwinnen. Ik had helaas niet de Sony Cybershot bij me, kan dus geen afbeelding ervan laten zien. Binnen de kortste keren hadden de mezen ruzie, joegen ze elkaar weg bij de pot. Onverdraagzame dieren, mezen. Weinig geneigd tot delen. Je zou zelfs ’s avonds de deksel er weer op kunnen draaien, zodat je nachtelijk gevreet (marters, eekhoorns) tegengaat en optimaal mee kunt beleven hoe snel de inhoud slinkt. Mijn vader wil aan mij ook best zo’n pindakaaspotcontraptie kwijt, maar ik woon aan een galerij. Met nogal wat kinderen en grote mensen. Dat kan dus niet, denk ik. Die zullen hun vingers in de pindakaas steken, waardoor er voor de vogels niks meer overblijft. De vogels vinden goedkope pindakaas – zo is gebleken uit onderzoek – trouwens net zo lekker als die van Calvé.

Maarten, Kader en Connie
In En toen viel ik van het podium geeft Lidewijde Paris zeven gouden tips aan lezingorganisatoren. Dit is tip 2: Laat bij aankomst weten dat je blij bent dat hij of zij er is. Indien er weinig publiek is, zeg je: ‘Maar ze zijn wel heel enthousiast, dat maakt veel goed.’ Net zoals je in een nieuwe baan wordt geacht niet tien keer op een dag te zeggen dat je oude baan veel beter was, zo praat je hier jezelf niet goed door te zeggen dat er bij andere schrijvers meer publiek was, want dan ligt het dus aan de schrijver en niet aan jouw slechte loktechnieken.
Maar lezingorganisatoren lezen dat boek niet. Vanavond lezing in Sneek. Ik werd gebeld door de voorzitter van de SLAS. Er hadden zich twintig mensen aangemeld. “Maar vorig jaar met Maarten van Rossum hadden we honderdzeventig bezoekers.” Ik mompelde wat, zei geloof ik ook “Dat komt allemaal wel goed.” Maar dat was niet genoeg, mij werd gemeld dat er bij Kader Abdolah meer dan honderd bezoekers waren. “Tja,” zei ik. Hou nou op, dacht ik. Ophouden nu, het wordt steeds erger, en ik zit niet te wachten op zulke informatie. Maar het was nog niet helemaal klaar: “Dat heb je hè, met de grotere namen, daar komen nu eenmaal meer mensen op af.” Ik geloof dat ik toen alleen nog maar kon hummen, terwijl je eigenlijk op zo’n moment “Weet u wat, ik zie ervan af” wilt zeggen. Het zal domweg ongemakkelijkheid zijn, verontschuldigend bedoeld, maar dat ze nou niet doorhebben hoe pijnlijk het is. En het gebeurt keer op keer. Altijd maar zeggen – in de auto van station naar optreedplek – hoe veel mensen Connie Palmen wel niet trok. Waardoor je nog voor je begonnen bent al helemaal leegloopt, als een klein kind in de passagiersstoel gedrukt wordt, in het duister boomstammen voorbij ziet flitsen, op slag vergeet waar je boeken éigenlijk over gaan. En altijd komt het goed.

Camelia, iMac en boerenkool
De Camelia in de keldertuin van mijn uitgever bloeit overvloedig. Dan kan je zeggen: wat is dit voor een winter? Maar je kan ook zeggen: Dat is niet zo raar, want er zijn meerdere winterbloeiende Camelia’s. Elke keer weer zie je in het journaal – bij berichten van overmatig zachte winters – de Prunus subhirtella, meestal ‘Autumnalis’. Die hóórt nu te bloeien. Maar ja: het was op het Journaal, en iedereen praat moord en brand. Die blauwe druifjes die hier in een pot al flink boven de grond komen? Niks aan de hand. Als het gaat vriezen staken ze onmiddellijk alles. Er zijn zelfs sneeuwklokjes die zich gedeeltelijk in de grond terugtrekken bij vorst. Toch beurde die Camelia (al dan niet voortijdig bloeiend vanwege kelderwarmte) me zo op, dat ik spoorslags naar de Apple-store ging en een offerte liet maken voor de aanschaf van een iMac. Ik ben het gezeik met dat Windows meer dan zat. Met een iMac heb je bijvoorbeeld niet eens een virusprogramma nodig. En het programma voor boekomslagbewerkingen is veel geavanceerder. Morgen ga ik hem kopen. Of volgende week. Toen ik thuiskwam was het erg mooi, zonnig, weer, zo rond vijven, en ik nam onderweg naar Albert Heijn de Sony Cybershot mee. Ik kwam thuis met boerenkool, worst en een paar foto’s van waar ik woon. Tot voor kort tevens de woonst van de burgemeester van deze stad. Weiter nichts neues. Een dingetje om het dingetje.

Doevendans
Het begint mij wel te bevallen: boekomslagen in elkaar flansen, zonder dat er enige tekst achter zit. Al die mogelijkheden. Bij de hiernaast afgebeelde krijg ik trouwens wel allerlei gedachtes, die het misschien wel verdienen eens losjes op papier te zetten. Oorspronkelijke titel Lange Wietze en z’n vrienden door S.A. Doevendans (1e druk 1948), uitgegeven door NAAMLOZE VENNOOTSCHAP W.D. MEINEMA – DELFT. Op een (christelijke) website over oude boeken vond ik de volgende omschrijving: “Wietze en z'n vrienden uit de 6e klas hebben in 't duin op verboden terrein een hok, om vandaar wat konijnen te strikken. Jaap Visser ontdekt het hol en bergt er met z'n vader gestolen aardappels in. De jongens worden verdacht van de diefstal. Na een andere diefstal van Visser komt het uit. Visser gaat in de gevangenis, z'n vrouw in een zenuwinrichting en Jaap komt bij Wietze thuis. Later begint het gezin Visser een nieuw leven. De jongens leren in toepassing te brengen: "Hebt uw vijanden lief". De geestelijke strekking is niet bizonder, 't verhaal wat onwerkelijk.” Er volgt ook nog een oordeel: “Een goed geschreven boek, dat de grotere jongens graag zullen lezen. Toch liever meer besef van zonde en noodzaak van bekering, dus matig aanbevolen.”
Nu staat ie voor meester.
Dan kan de lange zich niet meer beheersen:
“Mees... meester...? Zult u nog eens aan me denken? En komt u me dan ook er es opzoeken?”
Dikke tranen wellen uit z’n ogen. Wat kan ’t hem ook schelen! Ze mogen best zeggen, dat ie gehuild heeft. Misschien ziet ie ze nooit, nooit weer.
Snikkend drukt Wietze z’n hoofd tegen meesters borst. Hij hoort ’t horloge in meesters vestzakje tikken. ’t Geeft hem ’n gevoel van veiligheid.

Verder kan ik over het leven van Doevendans niets vinden op internet, wel nog andere titels, waaronder Wietze, de held van ’t kerkedak.


Naar boven


» Archief
 Uitleg »