Google
www www.gerbrandsdingetje.nl
Home | Nieuws | Boeken | Optredens | Archief | To international visitors page To international visitors page To international visitors page

Weblog van Gerbrand Bakker

Hoogeveen
Ik dien af te reizen naar Hoogeveen. Dolf Verroen, die dit jaar het Groot Hoogeveens Dictee geschreven heeft, is waarschijnlijk al onderweg, in de auto. Omdat ik het de vorige keer schreef, ben ik de juryvoorzitter. Een erebaantje. Maar er is een of andere stroomstoring gaande, waar ik niets van merk, want hier in huis brandt het licht en doet de verwarming het. De site van de NS zegt dat ze me op de hoogte zullen houden. Vanmiddag is het Kinderdictee en vanavond het Grotemensendictee. Dat zal ik toch wel halen? Het is stil in huis, Jasper is bij de oppasman in Assendelft, ik hoef niet naar buiten.
Gisteren had Jasper een zeer drukke en onrustige dag. Eerst bijna drie uur in de auto, daarna anderhalf uur in de trein van Nijmegen naar Amsterdam. Vanaf moment van instijgen had hij te maken met een woedend baasje, die in alle koppen om hem heen Karpatenkoppen zag en terecht vond dat de hond naar de Molukse conducteur blafte omdat die conducteur zeer dreigend voor ons kwam staan. Baasje kon zijn eigen woede niet zo goed verklaren. Baasje wilde van Amsterdam CS naar huis lopen, maar het was akelig takkeweer, met regen en harde wind, dus we deden een stukje in de tram en bij uitstijgen ging de hond veel te overdreven tekeer tegen een zwarte labrador. Baasje deed zijn best het te negeren, maar zijn woede overmande hem. Jasper werd de lucht in getrokken en in de rondte geslingerd. Voorbijgangers keken baasje bestraffend aan. Wacht maar, dacht baasje grimmig. Wacht maar tot jullie zelf zo'n hond hebben en een onverklaarbare woedebui hebben. Baasje kon wel janken, die arme, onschuldige hond met zijn lieve lichtbruine ogen, en een rode bloedstriem op zijn buikje omdat hij een paar dagen geleden achter een braamstruik is blijven hangen. En toen gingen baasje en hond eten en toen moest het alwéér naar de trein. Jasper was afgepeigerd toen we bij de oppasman aankwamen. Ik ook, trouwens. De oppasman zei dat je ervoor kunt kiezen, woedend zijn of niet. Baasje keek hem verbijsterd aan. Dat is toch een emotie? zei hij, daar kun je toch zeker niets aan doen? Je kunt toch ook niet zomaar stoppen met verliefd zijn op iemand? En toch is het zo, zei de oppasman. Ik vond het een boeiend standpunt.
Inmiddels schiet het niet op met de trein. Ik zie een kaart met rode spoortrajecten, mijn traject is ook rood. Uit Hoogeveen is geen aanbod gekomen voor een taxi naar Almere, dus ik wacht het allemaal rustig af. Van enige woede is geen sprake meer, ik sliep blijkbaar goed.


Geen Trödelladen
Ik zou vandaag een uitje hebben. Daar had ik nu eens echt zin in. De hele ochtend - het is immers zondag - was ik aan het schoonmaken geweest: stofzuigen, soppen, afwassen, zodat als het uitje begon, de boel aan kant zou zijn. Pauline Slot zou me rond half één komen ophalen. Dan zouden we gaan lunsjen en lopen met de honden en naar een Trödelladen. In een Trödelladen kun je ouwe troep kopen, ik had zelfs al de portemonnee in de achterzak. Pauline was precies op tijd. Jasper dacht 'Há, visite!' en sprong blij bij de deur op. De deur ging open, geen van ons lette echt op en daar ging Jasper. 'Jammer,' zei ik. 'En ik had nog wel zo'n zin.' Even dacht ik nog dat het goed zou komen omdat hij bij de buren een kat de boom in joeg. Daar zou ik hem kunnen pakken. Vlak voor ik bij de boom aankwam (bovenaan de heuvel), besloot de kat 'm te smeren. Nou ja, Pauline bleef nog een kopje koffie drinken, ik liet de deur openstaan voor je-weet-maar-nooit en toen reed Pauline alleen weer weg. Hij kwam tweeënhalf uur later thuis. Het uitje is verzet naar aanstaande dinsdag.
Ik maakte de kachel in de schrijfkamer aan. Maar ondertussen begon ik ook in de tuin te rommelen en voor ik het wist was ik een miniatuurhek aan het maken in het stenen plantbed voor het gastenkamerraam. Met vliertakken en touw. Het is erg mooi geworden - al zeg ik het zelf - en ondertussen brandde de kachel in de schrijfkamer voor niks. Daarna ging ik een fotoreportage maken van de tuin. Zie afbeelding (bijna uitbottende Hydrangea aspera). Iets na vijven ging ik eindelijk in de schrijfkamer zitten om de foto's te downloaden. En toen ik dat gedaan had, dacht ik: ik schrijf nog even een dingetje, de tijd was te kort om aan iets substantiëlers te gaan werken. Ondertussen stond Jasper beneden in de Hauswirtschaftsraum te piepen en toen te pissen. Om hem daarvoor te belonen voer ik hem nu een wortel. Hij is dol op wortels. En het klinkt zo gezellig. Ik neem het geluid wel eens op op Whatsapp en stuur het geluid dan naar deze of degene, die worden daar dan ook altijd erg blij van.


"Mama, ik kan niet meer"
Toen ik afgelopen nacht rond vieren thuiskwam - in het geheel niet dronken omdat de CPNB of de Stadsschouwburg steeds minder drankpunten instelt tijdens het Bal - zag ik na een tijdje dat het kleed was ondergepist. En midden in die natte plek lag een strip aangevreten paracetamol. Overal slingert hier nog paracetamol en ibuprofen rond. Ik kon zo één twee drie niet uitmaken hoeveel pillen hij had weggekauwd. Ik denk een stuk of vier. Hij lag heel aandoenlijk keihard met zijn staart te slaan. Hij heeft in elk geval ongelofelijk pijnloos de tweede helft van de nacht doorgebracht.
De hele dag was hij erg opgewekt en springerig en - veel belangrijker - hij speelde met alle honden die hij tegenkwam, cairn-terriërs, Franse bulldogjes, wat niet al. Zachtmoedig. Hij moet vaker 's avonds vier paracetamolletjes eten. Ik kon wel janken: het is zo mooi om te zien dat hij zijn best doet, en dat toch de training die ik al een tijd met hem doe om die rare agressie jegens andere honden er een beetje uit te krijgen lijkt te werken. Daarvoor heb ik andere baasjes nodig, die moeten even blijven staan, mij de kans geven hun hond te aaien, Jasper geruststellend toe te spreken, snoepjes uitdelen, en dat alles terwijl ik op mijn hurken tussen beide honden in zit.
Net, tijdens het avondrondje dat eerder was dan anders omdat hij me begon aan te blaffen en piepen, haalden we een vrouw in die aan het bellen was. Ze was een jaar of vijfenvijftig. Toen Jasper haar passeerde draaide ze zich glimlachend om. Daarna praatte ze zachtjes verder met haar moeder. "Mama, ik kan niet meer," zei ze. Ik hielp mijn pas een beetje in. 'Mama, luister, nee, nee, mama, luisteren nu. Ik kán niet meer." Honderd meter verderop hoorden we haar nog tegen haar moeder praten, steeds luider. We hoorden geen plons (we liepen langs de kade). Het zal wel goed gekomen zijn, met haar óf met haar moeder.
Tussendoor deed ik een Stille Tweespraak in de Balie, in de foyer tijdens het LOGOS-festival. Alleen mensen die een koptelefoon opzetten, konden horen was de interviewer en ik zeiden. Verder zaten er veel meer mensen gewoon koffie te drinken en taartjes te eten en te praten en vooral niet naar het podiumpje te kijken. Op de weg erheen had ik de gele kornoeljes bij De Nederlandse Bank zien bloeien, op de terugweg zag ik ze weer. Het zag er ondanks de vervreemding in de tussentijd precies hetzelfde uit.

Ik was zo ongelukkig afgelopen week
Dit is alweer dik 5 jaar geleden, maar mijn mond weet het nog zó goed. Mijn mond vergeet nooit iets. Mijn mond is mijn zwakke plek, altijd al geweest ook. Op die ene rare opname in het ziekenhuis van Bitburg na heb ik nooit in een ziekenhuis gelegen. Tandartsstoelen ken ik des te beter, nou ja, ik schreef er het vorige dingetje over. Aan het einde van dat dingetje stond: 'Nu gaat het wel weer'. En ik heb nog zo van mijn moeder geleerd dingen niet over me af te roepen. Nooit onnadenkend zulke dingen opschrijven; het is als de dingen die ik maanden geleden over Jasper schreef, dat hij het zo goed deed, en prompt gebeurde er weer iets ergs met hem de volgende dag. In Wuppertal zat ik twee uur lang te zwetsen. Twee uur lang de tong tegen de wond, twee uur lang opwinding. De nacht die volgde was een hel, en tot op de dag van vandaag is de pijn nooit weggeweest. Ik kon er ook nauwelijks pijnstillers tegenop slikken, vooral omdat ik zo'n sukkel ben die zich houdt aan de voorschriften. Nooit meer dan 3 ibuprofennetjes op een dag, niet meer dan 6 paracetamolletjes. En dat natuurlijk niet sámen. De nacht na de lezing in Bremerhaven afgelopen maandag was ook volledig weggegooid geld voor zo'n fijne hotelkamer.
Het was alsof mijn kaak zich ineens en vooral gretig die slachtpartij van 21 december 2009 herinnerde en dacht: dat gaan we nog eens dunnetjes overdoen, ik ben nog niet klaar met jou. De grootste ellende van zulke pijn is dat je er uitgeput van raakt, omdat je er lichamelijk en geestelijk tegen vecht. Gisteren was ik het beu, en ook dacht ik: de boel moet ontstoken zijn, dit is niet normaal. Ik mocht langskomen bij Dirk. "Het gaat helemaal prima!" zei hij en haalde meteen ook maar de hechtingen eruit, dan hoeft dat morgen niet meer te gebeuren. "Niets aan de hand!" Ik mocht zelf meekijken op het beeldscherm, en het zag er inderdaad goed uit. Dat heb ik op zo'n moment nodig. Afgelopen nacht, na het spoelen met Chloorhexidine en het innemen van 2 paracetamollen, was zeer weldadig, niet wakker geworden, geen pijn. Nu is het klaar, dacht ik ferm. Nu doet het weer zeer, natuurlijk, maar sinds gisteren weet ik dat het alleen maar beter worden kan. Heel misschien zit ik morgenavond wel zonder pijn op stoel 7, rij 2 in de Stadsschouwburg.

Bloeiende appelbomen
Mijn tandarts in Leeuwarden - dit is een herinnering die me zojuist te binnen schiet; de hele periode Leeuwarden is nogal vaag - had een aquarium. Met heel veel vissen en waterplanten en zo'n zuurstofdingetje dat luid bromde. Pal naast de stoel. Hij was een man die wat mompelde over een verstandkies die erg slecht was en op het moment dat ik begreep dat er misschien over gepraat moest worden, zei hij: 'Ik heb hem er al uit.' Kun je nagaan hoeveel spuiten er in gegaan waren. Mijn tandarts in Amsterdam zat eerst aan de Sarphatistraat en is daarna verhuisd naar de Lasusstraat. Bij hem was ik het langst. Hij heeft ook de meeste kronen, bruggen enzo aangebracht. Bij hem hing er een engeltje van papier-maché aan het plafond. Dat draaide langzaam rond - ik dacht altijd: hoe meer de patiënt 'stoomt', hoe harder het engeltje draait . I love you stond er op een schildje dat het engeltje vasthield. Er was daar eens een nieuwe assistente of een stagiaire uit Afghanistan. Die kon ongelofelijk goed verdoven, je voelde helemaal niets. Dennis, zo heette de tandarts, is in Nepal van een heel hoge berg gevallen. Toen had ik geen tandarts meer.
De huidige tandarts woont op 4 minuten fietsen. Hij ziet me weleens langskomen met Jasper. Gisteren vroeg de assistente me wanneer ze haar vlinderstruiken mocht snoeien. Bij hem zijn twee plafondtegels vervangen door voorjaarsfoto's: uitbottende appelbomen. Daarnaast hangt een beeldscherm: als je zin hebt kun je precies zien wat hij allemaal uitspookt in je mond. Gister had ik daar geen zin in. Hij ging een kies waarvan alleen de wortels en één zijkant over waren - ik vermoed dat het mijn allereerste kroon was, zo één met een enorme pin - extraheren. Die rechteronderkant is altijd een zwakke plek geweest, met pijn en ongemak. Dat duurde nogal, want de kies was vasthoudend, er kwamen allerlei hevels aan te pas. 'We pakken er nog even de gereedschapskist bij,' zei hij na twintig minuten. Verder floot hij veel. Dat vind ik prettig, een fluitende tandarts. Het ergste is een tandarts die om de haverklap 'O, o' zegt, of hoorbaar lucht naar binnen zuigt, van schrik. Toen het klaar was, vroeg ik 'Dit gaat zeker wel even pijn geven, niet?' Ja, ik moest over een uur of twee maar een ibuprofennetje nemen. Mensenlief, wat een pijn kreeg ik, ik moest ervan op de bank gaan liggen. Eerst gingen de hechtingen en het membraan dat hij aangebracht had pijn doen, toen dat een beetje was weggestorven, begon de kaak, waarin natuurlijk enorm gewroet was. De kiezen ter weerszijden - allang gewortelkanaalbehandeld - deden er zelfs zeer van. Dan denk ik: waarom zegt Dirk - zo heet hij - niet gewoon eerlijk dat het heel erg zeer gaat doen? Want nu dacht ik 'O jee, er is iets niet goed gegaan'. Nu gaat het wel weer. En dat is maar goed ook, want ik moet de hele avond Duits zwetsen in Wuppertal.

Worst
Ik was maandagmiddag in de Aula van de UvA. Daar werden twee dingen gepresenteerd. Het nieuwe boek van Arnon Grunberg en een zogenaamde Urban Game, ontwikkeld door studenten die Grunberg een tijd onder zijn hoede had tijdens zijn honorary fellowship aan dezelfde universiteit. Ik was te vroeg omdat ik een mailtje met de melding dat alles een half uur opgeschoven was niet ontvangen had. Ik ging naar Athenaeum, waar ik twee boeken van Per Petterson kocht en de nieuwe Maarten 't Hart. In de winkel liep Thomas Vaessens rond. Thomas Vaessens is Hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde. Ik herkende hem, hij keek over mij heen, had geen idee wie ik was. Dat was grappig. Bij de toonbank bladerde ik in dat nieuwe boek van de Steinzjes. Bij mijn lemma las ik 'Wieringermeer' in plaats van 'Wieringerwaard'. 'Pfff,' zei ik. 'Tja,' zei de boekverkoopster. Daarna zei ze: 'Dat is dan 51, 90.'
Terug naar de Aula. Ik zag Marja Pruis tamelijk laat binnenkomen en ergens in de zaal aanschuiven. Ik liep snel naar haar toe en zei dat ze bij mij moest komen zitten. Naast haar zat een man die zei: 'Hé wat ongelofelijk leuk dat ik jou weer eens zie!' Ik kende hem niet, en toen hij nog eens goed keek, bleek hij mij voor een ander gehouden te hebben. Na de lezingen en bloemen was er een borrel aan de Oude Turfmarkt, in het gebouw van de Bijzondere Collecties van de UvA. Ik was daar een dag eerder al geweest om de novelle van Arnon te lezen met een electrodenbadmuts op mijn kop, een EC-band om de borst en een camera tegenover me, alles in het kader van wetenschappelijk onderzoek. Ik was één van de 'prominenten' die daarvoor waren uitgenodigd. De borrel was gezellig, met Marja Pruis, Nathalie Doruijter, Paulien Loerts en Vic van de Reijt, die denk ik een half borreltje te veel op had, maar hij blijft altijd een fijne man. Charlotte Mutsaers was er ook, met haar hoofd in een enorm verband omdat ze eerder op de ochtend in Den Haag plat op haar gezicht was gevallen.
Toen ging ik weg en ik wilde Arnon nog even een hand geven, ik vind het raar om ergens geweest te zijn, af en toe elkaar aangekeken te hebben (dacht ik) en dan zomaar weg te gaan. Hij stond in de hal met een paar jonge meisjes om hem heen. Ik bleef staan alsof ik op audiëntie was. Hij onderbrak zijn gesprek, keek me aan en zei: 'Wie ben jij ook maar weer?' Ik proestte het uit. Dat werkwoord heb ik nooit eerder opgeschreven omdat ik het vreselijk lelijk vind en typisch een woord uit een heel slecht kinderboek, waarin iemand een halve bladzijde later ook nog eens op een bank 'neerploft', maar nu is het een passende omschrijving en kom ik er niet onderuit. Nu snap ik dat dat uitproesten een culminatie was van wat er die middag allemaal al gebeurd of juist niet gebeurd was. Ik deed een stap terug en wist niet goed wat te doen, voelde me toch een tikje ongemakkelijk, niet alleen voor mezelf maar vooral ook plaatsvervangend voor hem. Gelukkig stond Paulien Loerts daar en gelukkig had ik al vier glazen witte wijn op. Een paar minuten later zei hij: 'Ik weet het weer, jij bent Gerbrand, toch?' Juist. Ook dat was grappig, en tekenend voor hem. Die jongen ziet gewoon veel te veel mensen, doet veel te veel, werkt veel te hard, reist zich een slag in de rondte, uit onrust, misschien wel op de vlucht voor het een of ander.
Thuis maakte ik palmkoolstamppot (dat Albert Heijn heel sjiek Cavolo Nero noemt) met worst. Ik dronk daar natuurlijk rode wijn bij. Jasper lag half onder me, zijn voorpootjes netjes over elkaar als het braafste schooljongetje. Al kauwend keek ik omlaag. 'Jij weet toch zeker wel wie ik ben?' vroeg ik een tikje verontrust aan hem. Hij keek me trouwhartig aan, maar ik zág aan zijn blik dat hij dwars door me heen keek en alleen maar Unox-worst rook.


Naar boven
nieuws
17 april 2014The Detour op shortlist Impac Award

» Archief
 Uitleg »